Hail Gladdening Light

Cantus Missae  Gabriel Rheinberger

Binnen het kerkmuzikale oeuvre van Joseph Rheinberger (1839-1901) neemt de Cantus Missae een aparte plaats in. Niet alleen is de mis volledig a capella, ook is hij dubbelkorig. In meerdere opzichten grijpt Rheinberger terug op technieken die ons doen herinneren aan de renaissance. Allereerst doet de dubbelkorigheid ons natuurlijk denken aan de cori spezzati, maar ook de afwisseling tussen homofone en polyfone passages, het alterneren tussen antifonale secties en delen waarin de twee koren gezamenlijk optrekken en het toepassen van imitaties laten duidelijk zien dat Rheinberger schatplichtig is aan meesters als Lassus en Palestrina. In 1877 werd Rheinberger door koning Ludwig II van Beieren benoemd tot Hofkapellmeister van de kerkmuziek. Een jaar later voltooide hij de mis, volgens de aantekeningen van z’n vrouw binnen 5 dagen. Rheinberger droeg de mis, die volgens Otto Ursprung de “schönste reine Vokalmesse des 19. Jahrhunderts” was, op aan Paus Leo XIII. Als antwoord hierop werd Rheinberger door de paus benoemd tot ridder in de orde van Sint Gregorius.

Locus Iste Anton Bruckner

Bruckners  graduale Locus Iste is een expressief motet waarin in een korte tijdspanne verschillende emoties elkaar snel opvolgen, maar waarin de overheersende sfeer er een van warmte is. Bruckner schreef dit werk in 1869 voor de inwijding van een votiefkapel van de kathedraal van Linz, waar hij op dat moment organist was. Interessant is dat in dit korte werk elk nieuw gegeven in de tekst een aparte muzikale behandeling krijgt. Aan het eind keert Bruckner terug naar het begin van de tekst en daarmee ook de naar de maten waarmee het stuk opent, dit maal echter leidend naar een lang melisma op het woord deo en besloten met een eenvoudige harmonische formule op de woorden “a deo factus est”.

Quatre Motets Maurice Duruflé

Maurice Duruflé (1902-1986) heeft ons maar een beperkt oeuvre nagelaten. Maar elk werk afzonderlijk is van een ongekende schoonheid  en rijkdom. Als kind kreeg Duruflé het gregoriaans met de paplepel ingegoten en zijn gehele werk is daarvan doordrongen.  Zo ook zijn quatre motets. Het interessante aan deze motetten is dat ze niet alleen afzonderlijk te beluisteren zijn maar ook als een vierdelige compositie. Uitgaande van een vierdelige compositie kun je zeggen dat er over het geheel een spanningsboog staat waarbij de climax wordt bereikt in het motet Tu es Petrus. De cyclus opent met de bekendste van de motetten: Ubi Caritas, de antifoon voor witte donderdag.  In dit motet wordt de rustig golvende gregoriaanse melodie voorzien van een rijk harmonisch klankbed. Het volgende motet Tota pulchra es, wordt alleen gezongen door de alten en sopranen. Gezien het onderwerp van de tekst een voor de hand liggende keuze, maar muzikaal gezien een zeer interessante omdat hierdoor een totaal andere luisterervaring ontstaat ten opzichte van het openingsdeel. Het tempo van dit motet ligt hoger dan bij het vorige en leidt ons als vanzelf naar het ritmisch nog intensievere Tu es Petrus. Dit kortste motet van de vier behandelt de tekst waarin Jezus Petrus de rots noemt waarop Hij zijn kerk zal bouwen. Na dit stevige motet volgt de ontspanning in het laatste motet van de vier, het  Tantum ergo. Hierin wordt de melodie in lange notenwaarden gezongen door de sopranen, vrijelijk geïmiteerd door de tenoren . Het motet kent minder harmonische spanning dan de  eerste drie, waardoor het geheel weer tot rust komt en de cyclus eindigt zoals die is begonnen.

There is an old belief Hubert Parry

Het zesstemmige motet There is an old belief is een van de Six Songs of Farewell van Hubert Parry (1848-1918). Parry componeerde deze cyclus tegen het eind van z’n leven. Bij z’n zeventigste verjaardag schreef Parry “I have reached the last milestone” en deze gedachte klinkt dan ook duidelijk door in dit motet. In deze expressieve compositie  gaan vertrouwen en melancholie hand in hand. De vloeiende lijnen en rijke harmonieën geven ons een duidelijk beeld van de serene ver gelegen kust. Standvastig klinkende akkoorden horen we bij het uitspreken van zijn vertrouwen in dit beeld, waarna bij the eternal sleep de vloeiende lijnen weer hun intrede doen.

Ave Maria Gustav Holst

Gustav Holst (1865-1934) componeerde zijn achtstemmige Ave Maria voor vrouwenkoor in 1900 ter nagedachtenis aan zijn moeder Clara Lediard Holst. In dit werk spreidt de relatief jonge Holst zijn vermogens als componist ten toon. Vloeiende lijnen gecombineerd met oorstrelende harmonieën zorgen voor een lieflijke sfeer. Opvallend is dat Holst een deel van de Ave Maria tekst achterwege laat en zich aan het eind beperkt  tot Sancta Maria, ora pro nobis (heilige Maria, bid voor ons). Hierdoor krijgt de tekst een nog lieflijker karakter en past het nog beter bij de sweet memory die hij probeert te verklanken. De compositie is geschreven voor dubbel vrouwenkoor. Het is verleidelijk te denken dat het ene koor staat voor Maria en het andere koor voor Holsts’ moeder, waarbij het opvallend is dat beide koren volkomen gelijkwaardig zijn aan elkaar.

Hail Gladdening Light Charles Wood

De van oorsprong Ierse componist Charles Wood (1886-1926) schreef veel van zijn kerkmuziek met in het achterhoofd de professionele college choirs van Cambridge. Dat leidde ertoe dat veel van deze werken zijn gecomponeerd voor dubbelkoor. Hail Gladdening Light is hier een goed voorbeeld van. De kracht van het werk ligt in het effectieve samenspel van de twee koren, maar ook het geweldige gebruik van dynamische schakeringen en de mooie woordschilderingen verlenen glans aan deze compositie. Regelmatig maakte Wood gebruik van vertalingen van oude teksten. Zo ook voor deze compositie waar hij gebruik maakte van John Keble’ s vertaling van de Griekse tekst.

Colourful Compositions

RAPLH VAUGHAN WILLIAMS – MASS IN G MINOR

Ralph Vaughan Williams (1872 – 1958) wordt gezien als de grootste Engelse componist sinds Henry Purcell. Vanaf 1890 studeerde Vaughan Williams aan het Royal College of Music in Londen bij Hubert Parry en Charles Villiers Stanford. Daarna vervolgde hij zijn studies van 1892 tot 1895 bij Charles Wood aan het Trinity College in Cambridge, en later weer opnieuw in Londen waar hij bevriend werd met Gustav Holst. Ook heeft hij lessen gevolgd van Maurice Ravel. Zijn werk bestaat uit symfonieën, kamermuziek, opera, filmmuziek en koormuziek.

De vroege jaren 20 van de vorige eeuw waren een vruchtbare periode voor Vaughan Williams. Eén van de werken die toen het licht zagen was de Mass in G minor. Veelal wordt deze mis gezien als de herleving van de typisch Engelse polyfone kerkmuziekstijl. De dirigent R.R. Terry, die de eerste uitvoering van dit werk in een liturgische setting dirigeerde, zei hierover: “’I’m quite sincere when I say that it is the work one has all along been waiting for. In your individual and modern idiom you have really captured the old liturgical spirit and atmosphere.”. Dit individuele en moderne idioom komt in deze mis tot uiting in een voortdurend afwisselen van mineur, majeur en kerktoonaarden, waardoor het werk niet alleen een geheel eigen karakter heeft, maar ook een klinkende reminiscentie is aan de composities van Tallis en Byrd.

EDVARD GRIEG – FIRE SALMER

Edvard Hagerup Grieg  (1843 – 1907) was een Noors componist en pianist. Zoals Vaughan Williams wordt gezien als de grootste Engelse componist, is Grieg de icoon van Noorwegen. Edvard Grieg haalde niet alleen zijn inspiratie uit romantische componisten zoals Robert Schumann en Frédéric Chopin, hij was ook geïntrigeerd door Noorse volksmuziek.

De laatste composities van Griegs hand zijn de Fire Salmer. Deze vier liederen zijn onder andere gebaseerd op de rijke barokke teksten van Adolf Brorson. Muzikaal zijn ze geworteld in de volksmuziek, maar door het gebruik van een moderne expressie weet Grieg een compleet eigen muzikale wereld te creëren. De psalmen kenmerken zich door een voortdurend alterneren tussen solist en koor, waarbij Grieg door een kleurrijk gebruik van harmonieën het koor de tekst nog eens extra laat onderstrepen. Een prachtig voorbeeld hiervan is het middendeel van “Guds Søn har gjort mig fri”, waar het gelijktijdig laten klinken van de mineur en majeur tonaliteit een klinkende uitbeelding lijkt te zijn van het gevecht tussen licht en donker.

FRANCIS POULENC – SALVE REGINA

Francis Jean Marcel Poulenc (1899-1963) kreeg reeds op jonge leeftijd pianoles van zijn moeder. Vanaf zijn 15e kreeg hij pianolessen van Ricardo Viñes, een vriend van Claude Debussy en Maurice Ravel. Als componist was Poulenc vrijwel autodidact. Wel ontving hij gedurende enkele jaren compositie-aanwijzingen van Charles Koechlin. Hij behoorde tot de “Groupe des Six”, waarvan onder andere ook Honegger en Milhaud  deel uitmaakten.

Van Poulenc wordt gezegd dat hij nieuwe melodieën wist te maken in een tijd waarin men van mening was dat er op dat terrein weinig nieuws meer te ontwikkelen was. Zijn composities zijn sterk op de melodie gericht, waarbij hij vasthoudt aan de tonaliteit. De dood van een vriend in 1936 en het daarop volgende bezoek aan de bedevaartsplaats Rocamadour stuurden Poulencs gedachten in de richting van het componeren van religieuze werken, iets wat hij tot dan toe eigenlijk nog niet had gedaan. Het Salve Regina, in 1941 door Poulenc gecomponeerd in zijn landhuis in Noizay, ademt de sfeer van oude muziek, beïnvloed door het gregoriaans en gekruid met de harmonieën die voor Poulenc zo kenmerkend zijn.

OLIVIER MESSIAEN – O SACRUM CONVIVIUM!

Olivier Eugène Prosper Charles Messiaen (1908 – 1992) was een Frans ornitholoog, organist, pianist, en één van de belangrijkste en invloedrijkste componisten van de twintigste eeuw. Hij heeft gestudeerd aan het Conservatorium van Parijs onder de vleugels van de bekende organisten Marcel Dupré en Paul Dukas.

O Sacrum Convivium! is geschreven in 1937. Het serieus religieuze stuk vormt een duidelijke tegenstelling met het frivole werk van de andere Parijzenaren. In O Sacrum Convivium! komt Messiaens grote liefde voor de mystieke kanten van het rooms-katholieke geloof naar voren. De tekst, geschreven door Franciscus van Assisi, is door vele componisten op muziek gezet. De toevoeging van het uitroepteken komt van Messiaen zelf en is een uiting van zijn grote geloof. In deze compositie verklankt Messiaen het wonder van de eucharistie zowel in de melodie als in de kleurrijke harmonieën. Deze harmonieën, soms zelfs sensueel genoemd, doen denken aan zijn intense en meditatieve improvisaties op het orgel zoals die soms klonken na de mis in de Parijse Sainte Trinité.

SAMUEL BARBER – AGNUS DEI

Samuel Osborne Barber II (1910 – 1981) was een Amerikaanse componist en muziekpedagoog. Ook Barber is een gevierd componist uit de twintigste eeuw. Van jongs af aan wist hij al dat hij componist zou worden. Op z’n veertiende studeerde hij piano, compositie en zang en op z’n achttiende won hij zijn eerste belangrijke prijs.

In 1936 componeerde Barber zijn String Quartet. Twee jaar later zou hij het tweede deel hiervan bewerken tot het bekende Adagio for Strings, een werk dat al snel wereldberoemd zou worden dankzij de uitvoeringen en opname onder leiding van Toscanini, die het werk eenvoudigweg omschreef als “semplice e bella”. Het zou tot 1967 duren voordat Barber dit Adagio zou voorzien van een tekst. En niet zomaar een tekst, maar het agnus dei uit de vaste misteksten. Vanaf het ontstaan van het werk is het altijd al geassocieerd geweest met treurnis, nostalgie, liefde en passie, maar door het te voorzien van de “agnus dei” tekst erkende Barber “de diepere spirituele laag en bracht deze hiermee aan de oppervlakte” (Graham Olson).

Messe Cum Jubilo

Maurice Duruflé (1902 – 1986) was een Frans organist en componist. Zijn  kleine maar kwalitatief zeer hoogstaande oeuvre bestaat uit werken voor orgel, koor, orkest en uit kamermuziek. Duruflé werd op 10-jarige leeftijd leerling aan de zangersschool van de kathedraal van Rouen. Hij studeerde er ook piano, orgel en muziektheorie. In 1919 verhuisde hij naar Parijs waar hij orgel ging studeren bij Charles Tournemire. Het Parijse conservatorium bezocht hij vanaf 1920. Hij studeerde er bij onder meer Paul Dukas en Louis Vierne. Tussen 1922 en 1928 won hij vele prijzen, onder andere voor orgel, compositie, harmonieleer en fuga. In 1930 werd hij benoemd tot organist aan de Saint-Étienne-du-Mont in Parijs, vlakbij het Panthéon, waar hij tot 1975 in dienst zou blijven. In verband hiermee voorzag hij de orgelpartij, op verzoek van de componist, van registratie-aanwijzingen. In 1943 werd Duruflé professor voor harmonieleer aan het conservatorium van Parijs.

Het gepubliceerde oeuvre van Duruflé is niet groot; hij was niet snel tevreden en bleef lang aan zijn composities schaven waardoor hij in de voetsporen staat van zijn leraar Paul Dukas.

De gregoriaanse gezangen, die hij veel had gezongen in de jaren op de koorschool in Rouen, waren een belangrijke inspiratiebron voor zijn muziek. Dit blijkt onder meer uit het veelvuldig gebruik van middeleeuwse modi, waarin met name het gebruik van de frygische modus opvalt.  Duruflés muziek herinnert ook aan het impressionisme. Zijn composities worden gekenmerkt door orde, helderheid en duidelijke vormgeving en getuigen van grote bewogenheid en veel poëzie. Hij zocht naar het bovenaardse en droeg dit uit en over in zijn muziek en lessen.

In Duruflé’s jonge jaren maakte de aandacht voor het Gregoriaans een ware renaissance door, o.m. door zijn leraar Tournemire. Behalve dat deze invloed duidelijk is in zijn beroemde Requiem, is het in de Messe Cum Jubilo (1966) wellicht nog duidelijker. De aanduiding ‘cum jubilo’ is de ondertitel van de 9de ordinarium-mis Kyriale, zoals die tot op heden terug te vinden is in het Graduale Triplex (Solesmes 1979). In tegenstelling tot het Requiem is de krachtige melodielijn in elk van de vijf delen van de mis ongemoeid gelaten, in die zijn dat de harmonie, die moeiteloos uit het modale karakter van de melodische gang lijkt voor te komen, volledig voor rekening van het orgel wordt genomen. Anders gezegd: de mannenstemmen zingen uitsluitend éénstemmig. Gloedvol geharmoniseerd Gregoriaans is het resultaat, traditioneel eenstemmig gezongen, en afwisselend nu eens heftig, eruptief zelfs, dan weer ingetogen en mystiek harmonisch omlijst in de zo kenmerkende na-oorlogse Franse stijl.

Tekst © Haags internationaal orgelfestival

De Victoria Officium Defunctorum

De Victoria Officium Defunctorum

Victoria’s Officium Defunctorum behoort tot de muzikale hoogtepunten van de Spaanse renaissance. Met zijn mystieke intensiteit en expressie, verkregen door eenvoudige muzikale middelen, onderscheidt het zich van de Engelse en Italiaanse muziek uit hetzelfde tijdsgewricht.
In feite was Victoria slechts een van de vele Spaanse renaissance componisten, hoewel vrijwel niemand van z’n tijdgenoten zo’n volwassen mis componeerde als Victoria deed. De Spaanse componisten reisden, tenzij naar de nieuwe wereld, vrij weinig. Zeker als we dit vergelijken met hun Nederlandse tijdgenoten. Dit kan de reden zijn van hun relatieve onbekendheid. Victoria had geluk in dit opzicht. Na te zijn geboren in Avila in 1548 en grootgebracht te zijn in de traditie van Morales, Espinar en Ribera, ging hij waarschijnlijk in 1565 naar Rome om te studeren aan de Collegio Germanico van de Jezuïten. Eenmaal daar moet hij zeker Palestrina hebben ontmoet en werd hij waarschijnlijk ook onderwezen door hem. De subtiliteiten van Palestrina’s polyfonie zijn regelmatig terug te vinden in de muziek van Victoria, dit in tegenstelling tot dat van zijn Spaanse tijdgenoten. Victoria verbleef waarschijnlijk tot 1587 in Rome, waar hij ondertussen tot priester was gewijd. Hij publiceerde verscheidene bloemlezingen van zijn werk. Tegen het einde van zijn leven was hij er in geslaagd vrijwel z’n gehele oeuvre te publiceren in elf sets, wat veel meer was dan bijvoorbeeld Palestrina ooit deed. Zijn 6-delige Requiem verscheen in 1605 en was de laatste van de serie.

Van 1587 tot aan zijn dood in 1611 was Victoria werkzaam in Madrid, aanvankelijk als kapelaan van de zus van Filips II: de douairière keizerin Maria, dochter van Karel V, de vrouw van Maximiliaan II en moeder van twee keizers. Het was voor haar begrafenis in 1603 dat dit Requiem is gecomponeerd. Na haar dood werd Victoria organist van het klooster waar de keizerin had gewoond. Aangezien Victoria net zo goed een priester als muzikant was, is het niet verwonderlijk dat hij alleen gewijde muziek componeerde, al moet men er niet van uitgaan dat het allemaal sombere muziek is. Door zijn tijdgenoten werd Victoria gezien als een vreugdevol componist en er zijn vele motetten die dit bewijzen. Bovendien vinden wij in zijn muziek mooie voorbeelden van woordschilderingen.
In de uitgave uit 1605 vinden we wat extra motetten die, zoals gebruikelijk was in die tijd, toegevoegd zijn aan het proprium van de missa pro defunctis. Dit zijn het 4-stemmige motet Taedet animam meam (de tweede lezing van metten van de dodenofficie), dat is verplaatst naar het begin om te dienen als een eenvoudige introductie, het motet Versa est in luctum en de absoute zelf, waarvoor Victoria het volledige responsorium, Libera me, Domine, met zijn laatste Kyrie componeerde. Een opvallende bijzonderheid in de uitgave van 1605 is het weglaten van het gebruikelijke vers Hostias et Preces en de daaruit voortvloeiende herhaling van Quam olim Abrahae in het Offertorium.

Alle muziek van deze compositie, met uitzondering van de eerste Taedet animam meam, is geschreven voor SSATTB. Ongebruikelijk is dat we in de tweede sopraanpartij de cantus firmus vinden, hoewel die vrij vaak verdwijnt in het omringende stemmenweefsel. Victoria nam zelf de eenstemmige incipits op in zijn uitgave.