De Victoria Officium Defunctorum

De Victoria Officium Defunctorum

Victoria’s Officium Defunctorum behoort tot de muzikale hoogtepunten van de Spaanse renaissance. Met zijn mystieke intensiteit en expressie, verkregen door eenvoudige muzikale middelen, onderscheidt het zich van de Engelse en Italiaanse muziek uit hetzelfde tijdsgewricht.
In feite was Victoria slechts een van de vele Spaanse renaissance componisten, hoewel vrijwel niemand van z’n tijdgenoten zo’n volwassen mis componeerde als Victoria deed. De Spaanse componisten reisden, tenzij naar de nieuwe wereld, vrij weinig. Zeker als we dit vergelijken met hun Nederlandse tijdgenoten. Dit kan de reden zijn van hun relatieve onbekendheid. Victoria had geluk in dit opzicht. Na te zijn geboren in Avila in 1548 en grootgebracht te zijn in de traditie van Morales, Espinar en Ribera, ging hij waarschijnlijk in 1565 naar Rome om te studeren aan de Collegio Germanico van de Jezuïten. Eenmaal daar moet hij zeker Palestrina hebben ontmoet en werd hij waarschijnlijk ook onderwezen door hem. De subtiliteiten van Palestrina’s polyfonie zijn regelmatig terug te vinden in de muziek van Victoria, dit in tegenstelling tot dat van zijn Spaanse tijdgenoten. Victoria verbleef waarschijnlijk tot 1587 in Rome, waar hij ondertussen tot priester was gewijd. Hij publiceerde verscheidene bloemlezingen van zijn werk. Tegen het einde van zijn leven was hij er in geslaagd vrijwel z’n gehele oeuvre te publiceren in elf sets, wat veel meer was dan bijvoorbeeld Palestrina ooit deed. Zijn 6-delige Requiem verscheen in 1605 en was de laatste van de serie.

Van 1587 tot aan zijn dood in 1611 was Victoria werkzaam in Madrid, aanvankelijk als kapelaan van de zus van Filips II: de douairière keizerin Maria, dochter van Karel V, de vrouw van Maximiliaan II en moeder van twee keizers. Het was voor haar begrafenis in 1603 dat dit Requiem is gecomponeerd. Na haar dood werd Victoria organist van het klooster waar de keizerin had gewoond. Aangezien Victoria net zo goed een priester als muzikant was, is het niet verwonderlijk dat hij alleen gewijde muziek componeerde, al moet men er niet van uitgaan dat het allemaal sombere muziek is. Door zijn tijdgenoten werd Victoria gezien als een vreugdevol componist en er zijn vele motetten die dit bewijzen. Bovendien vinden wij in zijn muziek mooie voorbeelden van woordschilderingen.
In de uitgave uit 1605 vinden we wat extra motetten die, zoals gebruikelijk was in die tijd, toegevoegd zijn aan het proprium van de missa pro defunctis. Dit zijn het 4-stemmige motet Taedet animam meam (de tweede lezing van metten van de dodenofficie), dat is verplaatst naar het begin om te dienen als een eenvoudige introductie, het motet Versa est in luctum en de absoute zelf, waarvoor Victoria het volledige responsorium, Libera me, Domine, met zijn laatste Kyrie componeerde. Een opvallende bijzonderheid in de uitgave van 1605 is het weglaten van het gebruikelijke vers Hostias et Preces en de daaruit voortvloeiende herhaling van Quam olim Abrahae in het Offertorium.

Alle muziek van deze compositie, met uitzondering van de eerste Taedet animam meam, is geschreven voor SSATTB. Ongebruikelijk is dat we in de tweede sopraanpartij de cantus firmus vinden, hoewel die vrij vaak verdwijnt in het omringende stemmenweefsel. Victoria nam zelf de eenstemmige incipits op in zijn uitgave.