Oh when the Saints


poster saints site

Bij het komende project zingen we een programma dat z’n oorsprong vindt in het feest van Allerheiligen. We zingen composities die direct voor deze gelegenheid zijn gecomponeerd én werken met teksten van en over heiligen. De concerten worden gegeven in de Onze Lieve Vrouw Hemelvaartkerk in Den Haag, de Wilibrorduskerk in Utrecht en de Onze Lieve Vrouwekerk in Geervliet. Hieronder vind je een beschrijving van de te zingen werken. De repetities (op de maandagen) starten half september 2015. Wil je auditie doen om mee te zingen met dit project, dan kun je je aanmelden via het formulier op de pagina contact. Updates over onze projecten vind je behalve op deze website ook op facebook.

 

Canis – Ave Sanctissima Maria | De in Gent geboren Cornelius Canis (ook wel De Hondt of D’Hondt) (1510-1561), was voor een groot deel van z’n leven werkzaam bij de Capella Flamenca, de hofkapel van keizer Karel V. Het was dan ook in die periode dat het grootste deel van zijn oeuvre het licht zag, waaronder ook zijn motet Ave sanctissima Maria. Dat het motet en de compositorische gaven van Canis alom werden gewaardeerd blijkt wel uit het feit dat het al een jaar later in Venetië werd gepubliceerd in een van de motettenboeken van Cipriano de Rore. (Cipriani musici eccelentissimi cum quibusdam aliis doctis authoribus motectorum…liber primus quinque vocum). De tekst is een gebed, geschreven door Paus Pius IV en herinnert aan het Ave Maria en Regina Caeli. Een duidelijke melodische verwijzing naar de laatste tekst vinden we in het motet bij de tekst “regina caeli laetare”. Canis gebruikt hier de kop van de gregoriaanse melodie als melodisch motief, dat we vier keer kort na elkaar kunnen horen.

De Monte – Hodie Dilectissimi, Omnium Sanctorum | Gedurende de regeerperiode van Rooms Keizer Rudolf II verschenen er met name in Praag stapels motetten ter ere van bekende en minder bekende heiligen. Ook zagen in die periode diverse triomfantelijke motetten voor het feest van Allerheiligen het licht. Vaak waren dit gelegenheidsmotetten zonder een duidelijke liturgische plaats. Tot deze laatste categorie kan De Montes motet Hodie dilectissimi, omnium sanctorum gerekend worden. Het motet, dat tot zijn ambitieuzere werken behoort, is zevenstemmig en valt in twee delen uiteen. In het prima pars verdeelt De Monte de stemmen over twee koren, een laag en een hoog koor. In het secunda pars maakt hij ook gebruik van deze techniek, maar gaandeweg laat hij de twee koren versmelten tot één, wat leidt tot een feestelijk en indrukwekkend zevenstemmig stemmenweefsel aan het slot.

Philips – Cantabant Sancti |Peter Philips behoorde samen met William Byrd tot de meest vooraanstaande componisten van de contra-reformatie. Maar in tegenstelling tot zijn beroemde tijdgenoot verbleef Philips een groot deel van z’n werkzame leven op het continent. In Rome maakte hij kennis met met o.a. Anerio en waarschijnlijk ook Palestrina, van wie hij ook muziek opnam in z’n eigen uitgaven. De vijfstemmige Cantiones Sacrae, met daarin onder andere het Cantabant Sancti, werden in 1612 uitgegeven in Antwerpen, waar Philips op dat moment werkzaam was. De bundel bevatte werken die in de twintig jaar daaraan voorafgaand waren gecomponeerd. Het Cantabant Sancti is een contrapuntisch hoogstandje waarin hij op Josquin-achtige wijze de illusie van dubbelkorigheid creëert. Het motet is bedoeld voor de metten van het feest van de onnozele kinderen.

Pearsall – Tu Es Petrus |Het motet Tu es Petrus van de Engelse componist Pearsall is een contrafact verzorgd door de componist zelf. De oorspronkelijke compositie die hij hiervoor gebruikte is het beroemde Lay a garland dat hij in 1840 componeerde. In 1854 voorzag Pearsall zijn compositie van de nieuwe tekst en paste waar nodig de muziek aan. Het werk weerspiegelt in z’n opbouw Pearsalls grote interesse in muziek uit de renaissance. Daarnaast doet het in de behandeling van de dissonanten en de steeds toenemende spanning sterk denken aan Lotti’s eveneens achtstemmige Crucifixus.

Stanford – Ye Holy Angels Bright | Vlak voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog componeerde Stanford zijn Three English Motets, Op.135. De eerste van deze drie, Ye holy angels bright, heeft de vorm van een set koraalvariaties, gebaseerd op de melodie die Darwall oorspronkelijk bij deze tekst componeerde. Het werk lijkt enigszins geïnspireerd te zijn door Brahms, bij wie we in zijn motetten vergelijkbare contrapuntische en cantus firmus technieken vinden. Stanfords behandeling van de melodie, toenemend van vier tot achtstemmig, is zowel technisch als muzikaal overtuigend. De pers was dan ook lyrisch na de eerste uitvoering in 1913 tijdens het Gloucester Festival. The Musical Times schreef dat het werk “brilliantly exhibited the contrapuntal facility of the composer”, terwijl andere kranten termen als “ingenious” en “masterly” gebruikten.

Poulenc – Quatre Petites Prières De Saint François d’Assise |In de zomer van 1948 stuurde Poulencs achterneef Jérôme, die als monnik leefde in het Fransicanerklooster Champfleury leefde, de Franse vertaling van vier aan Fransiscus van Asissi toegeschreven gebeden toe, met het verzoek om deze te toonzetten voor een familielid. Poulenc voorzag te teksten binnen een paar weken van muziek en droeg het werk op aan de monniken van Champfleury. Poulenc zei over deze compositie het volgende: “ik vereer de heilige Fransiscus, maar hij maakt mij ook een beetje timide. In ieder geval heb ik getracht met de toonzetting van deze zo wonderlijk aangrijpende gebeden een voorbeeld van nederigheid geven.

Harris – Faire Is The Heav’n & Bring Us, O Lord |In 1925 componeerde Harris, of Doc H. zoals hij werd genoemd door de koristen, Faire is the Heav’n. Hij droeg het op aan zijn voorganger Sir Hugh Allen. In dit dubbelkorige werk volgt Harris de tekst van Spenser muzikaal op de voet. In de tekst neemt de schoonheid van de schepselen toe naarmate ze dichter bij God zijn en per beschrijving verandert Harris van toonsoort om hiermee deze “hiërarchie” te onderstrepen, om pas aan het eind terug te keren naar het hemelse Des-groot, het begin en eindpunt van de compositie.

Ondanks dat Harris’ motet Bring us, o Lord zo’n dertig jaar ná Faire is the Heaven is gecomponeerd, kunnen we het toch zien als een vervolg op deze compositie. Ook hierin neemt Harris ons mee op een reis door de toonsoorten om uiteindelijk na opeenvolgende amens te eindigen in dezelfde hemelse toonsoort. Alastair Sampsom was als korist aanwezig op de avond dat het stuk voor het eerst werd gezongen. Hij vertelt: naar het eind toe vertraagde hij (Harris) het tempo (iets dat hij nooit zou doen tijdens een uitvoering) om het testen welk effect het slot van het stuk op ons zou hebben. Verwonderd snakten we naar adem en hij wist dat hij zijn doel ten volle had bereikt.

There’s something about Mary

Missa Alma Redemptoris Mater De Victoria

De Victoria was misschien wel de enige componist in zijn tijd die tijdens zijn leven vrijwel zijn gehele oeuvre gepubliceerd kreeg. De Missa Alma Redemptoris werd gepubliceerd in 1600. Het is een zogenaamde parodie mis, een mis gebaseerd op een ander al bestaand werk. In dit geval zelfs twee, namelijk zijn 5 stemmige en zijn 8 stemmige motet Alma Mater Redemptoris. Beide motetten ontlenen hun melodisch materiaal aan de gregoriaanse antifoon. Verspreid over de hele mis vinden we fragmenten uit zijn 8 stemmige motet. In het Kyrie en het Benedictus vinden we duidelijkste herinneringen aan zij 5 stemmige motet. De mis is gecomponeerd voor twee vierstemmige koren die op de gebruikelijke wijze elkaar antwoorden, afwisselen en samen optrekken.

Regina Coeli Sweelinck

Het zal voor de voor de Hervormde overheid lichtelijk verrassend zijn geweest dat de door hun betaalde organist Sweelinck in 1619 plots met Cantiones Sacrae op de proppen kwam. Deze bundel is geheel gevuld met werken die hun oorsprong vinden in de vulgaat en de Roomse liturgie. Daarnaast ontlenen veel van de composities in deze bundel hun melodisch materiaal aan het gregoriaans. Zo ook bij het Regina Coeli. De gregoriaanse antifoon bestaat uit vier regels. Sweelinck baseert in zijn compositie elke regel op melodische motieven uit de gelijkluidende regel van de gregoriaanse antifoon. Het is geen doorgecomponeerd motet, maar een vierdelige compositie, waarin per deel één regel wordt behandeld steeds afgesloten door een alleluia. Het werk behoort tot de hoogtepunten van Sweelincks vocale werken. Het kenmerkt zich door zijn vrolijkheid en lichtheid die tot uitdrukking komt in lange notenslierten en vrolijke motieven die steeds weer in andere stemmen opduiken.

Ave Regina Rheinberger

Kort voor zijn dood schreef Rheinberger aan een leerling: “Muziek die niet zingbaar is of geen klankschoonheid heeft, heeft geen bestaansrecht. Ik weet dat mijn zienswijze vele tegenstanders kent, maar wit is wit en niet grijs of zwart. Muziek mag nooit hopeloos of ziekelijk klinken. Muziek is in essentie een uiting van blijdschap en zelfs pijn kent geen pessimisme.” Rheinberger componeerde zijn lieflijke en melodieuze Ave Regina in de jaren ’80 van de negentiende eeuw. Het is een op het oor eenvoudig compositie die echter van een groot compositorisch meesterschap getuigt. Het tijdschrift „Signale für die musikalische Welt“ noemde in 1886 deze compositie en de andere werken uit op. 140 waarlijk religieuze muziek die echter niet theologisch, maar welgevallig klinkt.

Ave Maris Stella Grieg

De oorsprong van de raadselachtige titel Ave maris stella (gegroet, sterre der zee) is waarschijnlijk gelegen in een verschrijving van een kopiist die de Latijnse naam stilla maris sive amarum mare (druppel der zee of bittere zee) bij het overschrijven veranderde in stella maris (sterre der zee) en dat is het in de latere Middeleeuwen gebleven. Ave maris stella behoort samen met zijn Fire Salmer tot zijn bekendste koorwerken. Het werkt wordt gekenmerkt door expressieve harmonieën en melodieën. Oorspronkelijk was het een solo stuk met een Deense tekst, maar aan het eind van het jaar 1898 werkte hij het om tot een compositie voor achtstemmig koor en voorzag hij het van de Latijnse tekst.

Hymn to the Virgin Britten

Slechts zestien jaar oud was Britten toen hij dit kleine meesterwerkje in één dag schreef. Britten creëert in dit werk het idee van dubbelkorigheid door het gebruik van een solo kwartet dat steeds in het Latijn antwoord geeft op de middel Engelse tekst die door het koor gezongen wordt. Het is wonderlijk om te zien hoe deze twee afzonderlijke teksten elkaar aanvullen en beantwoorden en zo versmelten tot een eenheid. Evenals bij het Ave maris stella vinden we in deze tekst de in de middeleeuwen gebruikelijke tegenstelling Eva – Maria. Na de aanvankelijke rust en mystieke sfeer waarmee het stuk opent, neemt in de laatste strofe de intensiteit toe door opgaande lijnen en het verhoogde tempo. Aan het slot keert de rust weer terug besloten door een dromerige laatste frase, gezongen door het solo kwartet.

Stabat Mater Speciosa Diepenbrock

In maart 1896 begon Diepenbrock aan het componeren van zijn Stabat mater speciosa. Evenals het Stabat mater dolorosa wordt dit gedicht toegeschreven aan Jacopone da Todi. Echter in dit gedicht worden de gevoelens van blijdschap van Maria geschetst na de geboorte van haar zoon. Op veel plaatsen maakte Diepenbrock gebruik van het materiaal van zijn eerder verschenen dolorosa-compositie, zodat er een muzikaal tweeluik ontstond die ondanks de thematische overeenkomsten, sterk verschillen in kleur en karakter. Het jubelende Stabat mater speciosa is altijd favoriet geweest bij Sem Dresden die er met zijn ‘Madrigaal-Vereeniging’ en ‘Haarlemsche Motet- en Madrigaal-Vereeniging’ veel uitvoeringen van heeft gegeven. Waarschijnlijk op 12 mei 1917 voor het eerst. Matthijs Vermeulen schreef erover in De Telegraaf: Een Stabat Mater speciosa, dat Diepenbrock ongeveer twintig jaar geleden componeerde als pendant van zijn Stabat Mater dolorosa, was een der belangrijkste nummers uit Sem Dresden’s programma. Het geeft de smartelijke en droevig-gekleurde motieven van het Stabat Mater dolorosa […] in een blijden en teeder jubelenden toon; ’t eene verbeeldt de Moeder aan het Kruis, ’t ander de Moeder aan de Kribbe. Voor ons allen en ook voor den componist was het de éérste uitvoering in de loop dier lange jaren, want gelijk het Diepenbrock’s Mis verging, zoo is het dit Stabat vergaan: de auteur maakte een meesterwerk, waar niemand naar vroeg en waarvoor zich ook niemand interesseerde, hoewel ’t warm zingt in eene zuidelijke, bekorende melodiek, opgeluisterd met het rijkst genuanceerde harmonische coloriet, als de schilderijen der oude primitieven. Het is stralend van miniatuur, antiek van piëteit, modern van verlangend en onrustig sensitivisme.

Assumpta est Maria Dresden

In het motet Assumpta est Maria heeft Sem Dresden de teksten van alle antifonen voor de eerste vespers voor Maria-ten-hemel-opneming verzameld en verwerkt in één volledig doorgecomponeerd motet. In deze hoedanigheid zou het dus geen plaats kunnen krijgen in deze vespers, maar het blijft onmiskenbaar een motet dat gecomponeerd is voor het feest van Maria-ten-hemel-opneming. Het werk vormt een wonderlijke synthese van op Debussy en Ravel geïnspireerde harmonieën met de aloude motetvorm waarbij elke regel, of in dit geval elke antifoon, een eigen muzikale uitwerking krijgt. De eenheid in de compositie blijft bewaard door een voortdurend terugkeren van de ritmische en melodische motieven die we voor het eerst horen in de eerste maten van de compositie. Opvallend is dat de van oorsprong Joodse Sem Dresden koos voor deze oer-katholieke teksten. Marius Monnickendam zegt hierover dat hierin “al iets opdoemt van Dresden’s geestelijke gerichtheid, welke op het einde van zijn leven in een bekering tot het Katholicisme uitmondde.”

Totus Tuus Górecki

Górecki componeerde Totus Tuus ter gelegenheid van het derde bezoek van paus Johannes Paulus II aan zijn vaderland. Totus Tuus was de mariale wapenspreuk van deze paus. Deze tekst komt uit een gedicht van Maria Boguslawska, die het gedicht opdroeg aan de maagd Maria, de patroonheilige van Polen. De compositie is meditatief als indringend van karakter. Górecki weet dit effect te bereiken door het voortdurend herhalen van muzikale elementen en tekst en het smaakvol gebruik melodie en harmonie. Na de eerste uitvoering op 14 juni 1987 door het koor voor Katholieke Theologie uit Warschau won het stuk snel aan populariteit en heeft het een vooraanstaande plaats veroverd binnen de koorliteratuur.

Hail Gladdening Light

Cantus Missae  Gabriel Rheinberger

Binnen het kerkmuzikale oeuvre van Joseph Rheinberger (1839-1901) neemt de Cantus Missae een aparte plaats in. Niet alleen is de mis volledig a capella, ook is hij dubbelkorig. In meerdere opzichten grijpt Rheinberger terug op technieken die ons doen herinneren aan de renaissance. Allereerst doet de dubbelkorigheid ons natuurlijk denken aan de cori spezzati, maar ook de afwisseling tussen homofone en polyfone passages, het alterneren tussen antifonale secties en delen waarin de twee koren gezamenlijk optrekken en het toepassen van imitaties laten duidelijk zien dat Rheinberger schatplichtig is aan meesters als Lassus en Palestrina. In 1877 werd Rheinberger door koning Ludwig II van Beieren benoemd tot Hofkapellmeister van de kerkmuziek. Een jaar later voltooide hij de mis, volgens de aantekeningen van z’n vrouw binnen 5 dagen. Rheinberger droeg de mis, die volgens Otto Ursprung de “schönste reine Vokalmesse des 19. Jahrhunderts” was, op aan Paus Leo XIII. Als antwoord hierop werd Rheinberger door de paus benoemd tot ridder in de orde van Sint Gregorius.

Locus Iste Anton Bruckner

Bruckners  graduale Locus Iste is een expressief motet waarin in een korte tijdspanne verschillende emoties elkaar snel opvolgen, maar waarin de overheersende sfeer er een van warmte is. Bruckner schreef dit werk in 1869 voor de inwijding van een votiefkapel van de kathedraal van Linz, waar hij op dat moment organist was. Interessant is dat in dit korte werk elk nieuw gegeven in de tekst een aparte muzikale behandeling krijgt. Aan het eind keert Bruckner terug naar het begin van de tekst en daarmee ook de naar de maten waarmee het stuk opent, dit maal echter leidend naar een lang melisma op het woord deo en besloten met een eenvoudige harmonische formule op de woorden “a deo factus est”.

Quatre Motets Maurice Duruflé

Maurice Duruflé (1902-1986) heeft ons maar een beperkt oeuvre nagelaten. Maar elk werk afzonderlijk is van een ongekende schoonheid  en rijkdom. Als kind kreeg Duruflé het gregoriaans met de paplepel ingegoten en zijn gehele werk is daarvan doordrongen.  Zo ook zijn quatre motets. Het interessante aan deze motetten is dat ze niet alleen afzonderlijk te beluisteren zijn maar ook als een vierdelige compositie. Uitgaande van een vierdelige compositie kun je zeggen dat er over het geheel een spanningsboog staat waarbij de climax wordt bereikt in het motet Tu es Petrus. De cyclus opent met de bekendste van de motetten: Ubi Caritas, de antifoon voor witte donderdag.  In dit motet wordt de rustig golvende gregoriaanse melodie voorzien van een rijk harmonisch klankbed. Het volgende motet Tota pulchra es, wordt alleen gezongen door de alten en sopranen. Gezien het onderwerp van de tekst een voor de hand liggende keuze, maar muzikaal gezien een zeer interessante omdat hierdoor een totaal andere luisterervaring ontstaat ten opzichte van het openingsdeel. Het tempo van dit motet ligt hoger dan bij het vorige en leidt ons als vanzelf naar het ritmisch nog intensievere Tu es Petrus. Dit kortste motet van de vier behandelt de tekst waarin Jezus Petrus de rots noemt waarop Hij zijn kerk zal bouwen. Na dit stevige motet volgt de ontspanning in het laatste motet van de vier, het  Tantum ergo. Hierin wordt de melodie in lange notenwaarden gezongen door de sopranen, vrijelijk geïmiteerd door de tenoren . Het motet kent minder harmonische spanning dan de  eerste drie, waardoor het geheel weer tot rust komt en de cyclus eindigt zoals die is begonnen.

There is an old belief Hubert Parry

Het zesstemmige motet There is an old belief is een van de Six Songs of Farewell van Hubert Parry (1848-1918). Parry componeerde deze cyclus tegen het eind van z’n leven. Bij z’n zeventigste verjaardag schreef Parry “I have reached the last milestone” en deze gedachte klinkt dan ook duidelijk door in dit motet. In deze expressieve compositie  gaan vertrouwen en melancholie hand in hand. De vloeiende lijnen en rijke harmonieën geven ons een duidelijk beeld van de serene ver gelegen kust. Standvastig klinkende akkoorden horen we bij het uitspreken van zijn vertrouwen in dit beeld, waarna bij the eternal sleep de vloeiende lijnen weer hun intrede doen.

Ave Maria Gustav Holst

Gustav Holst (1865-1934) componeerde zijn achtstemmige Ave Maria voor vrouwenkoor in 1900 ter nagedachtenis aan zijn moeder Clara Lediard Holst. In dit werk spreidt de relatief jonge Holst zijn vermogens als componist ten toon. Vloeiende lijnen gecombineerd met oorstrelende harmonieën zorgen voor een lieflijke sfeer. Opvallend is dat Holst een deel van de Ave Maria tekst achterwege laat en zich aan het eind beperkt  tot Sancta Maria, ora pro nobis (heilige Maria, bid voor ons). Hierdoor krijgt de tekst een nog lieflijker karakter en past het nog beter bij de sweet memory die hij probeert te verklanken. De compositie is geschreven voor dubbel vrouwenkoor. Het is verleidelijk te denken dat het ene koor staat voor Maria en het andere koor voor Holsts’ moeder, waarbij het opvallend is dat beide koren volkomen gelijkwaardig zijn aan elkaar.

Hail Gladdening Light Charles Wood

De van oorsprong Ierse componist Charles Wood (1886-1926) schreef veel van zijn kerkmuziek met in het achterhoofd de professionele college choirs van Cambridge. Dat leidde ertoe dat veel van deze werken zijn gecomponeerd voor dubbelkoor. Hail Gladdening Light is hier een goed voorbeeld van. De kracht van het werk ligt in het effectieve samenspel van de twee koren, maar ook het geweldige gebruik van dynamische schakeringen en de mooie woordschilderingen verlenen glans aan deze compositie. Regelmatig maakte Wood gebruik van vertalingen van oude teksten. Zo ook voor deze compositie waar hij gebruik maakte van John Keble’ s vertaling van de Griekse tekst.

Colourful Compositions

RAPLH VAUGHAN WILLIAMS – MASS IN G MINOR

Ralph Vaughan Williams (1872 – 1958) wordt gezien als de grootste Engelse componist sinds Henry Purcell. Vanaf 1890 studeerde Vaughan Williams aan het Royal College of Music in Londen bij Hubert Parry en Charles Villiers Stanford. Daarna vervolgde hij zijn studies van 1892 tot 1895 bij Charles Wood aan het Trinity College in Cambridge, en later weer opnieuw in Londen waar hij bevriend werd met Gustav Holst. Ook heeft hij lessen gevolgd van Maurice Ravel. Zijn werk bestaat uit symfonieën, kamermuziek, opera, filmmuziek en koormuziek.

De vroege jaren 20 van de vorige eeuw waren een vruchtbare periode voor Vaughan Williams. Eén van de werken die toen het licht zagen was de Mass in G minor. Veelal wordt deze mis gezien als de herleving van de typisch Engelse polyfone kerkmuziekstijl. De dirigent R.R. Terry, die de eerste uitvoering van dit werk in een liturgische setting dirigeerde, zei hierover: “’I’m quite sincere when I say that it is the work one has all along been waiting for. In your individual and modern idiom you have really captured the old liturgical spirit and atmosphere.”. Dit individuele en moderne idioom komt in deze mis tot uiting in een voortdurend afwisselen van mineur, majeur en kerktoonaarden, waardoor het werk niet alleen een geheel eigen karakter heeft, maar ook een klinkende reminiscentie is aan de composities van Tallis en Byrd.

EDVARD GRIEG – FIRE SALMER

Edvard Hagerup Grieg  (1843 – 1907) was een Noors componist en pianist. Zoals Vaughan Williams wordt gezien als de grootste Engelse componist, is Grieg de icoon van Noorwegen. Edvard Grieg haalde niet alleen zijn inspiratie uit romantische componisten zoals Robert Schumann en Frédéric Chopin, hij was ook geïntrigeerd door Noorse volksmuziek.

De laatste composities van Griegs hand zijn de Fire Salmer. Deze vier liederen zijn onder andere gebaseerd op de rijke barokke teksten van Adolf Brorson. Muzikaal zijn ze geworteld in de volksmuziek, maar door het gebruik van een moderne expressie weet Grieg een compleet eigen muzikale wereld te creëren. De psalmen kenmerken zich door een voortdurend alterneren tussen solist en koor, waarbij Grieg door een kleurrijk gebruik van harmonieën het koor de tekst nog eens extra laat onderstrepen. Een prachtig voorbeeld hiervan is het middendeel van “Guds Søn har gjort mig fri”, waar het gelijktijdig laten klinken van de mineur en majeur tonaliteit een klinkende uitbeelding lijkt te zijn van het gevecht tussen licht en donker.

FRANCIS POULENC – SALVE REGINA

Francis Jean Marcel Poulenc (1899-1963) kreeg reeds op jonge leeftijd pianoles van zijn moeder. Vanaf zijn 15e kreeg hij pianolessen van Ricardo Viñes, een vriend van Claude Debussy en Maurice Ravel. Als componist was Poulenc vrijwel autodidact. Wel ontving hij gedurende enkele jaren compositie-aanwijzingen van Charles Koechlin. Hij behoorde tot de “Groupe des Six”, waarvan onder andere ook Honegger en Milhaud  deel uitmaakten.

Van Poulenc wordt gezegd dat hij nieuwe melodieën wist te maken in een tijd waarin men van mening was dat er op dat terrein weinig nieuws meer te ontwikkelen was. Zijn composities zijn sterk op de melodie gericht, waarbij hij vasthoudt aan de tonaliteit. De dood van een vriend in 1936 en het daarop volgende bezoek aan de bedevaartsplaats Rocamadour stuurden Poulencs gedachten in de richting van het componeren van religieuze werken, iets wat hij tot dan toe eigenlijk nog niet had gedaan. Het Salve Regina, in 1941 door Poulenc gecomponeerd in zijn landhuis in Noizay, ademt de sfeer van oude muziek, beïnvloed door het gregoriaans en gekruid met de harmonieën die voor Poulenc zo kenmerkend zijn.

OLIVIER MESSIAEN – O SACRUM CONVIVIUM!

Olivier Eugène Prosper Charles Messiaen (1908 – 1992) was een Frans ornitholoog, organist, pianist, en één van de belangrijkste en invloedrijkste componisten van de twintigste eeuw. Hij heeft gestudeerd aan het Conservatorium van Parijs onder de vleugels van de bekende organisten Marcel Dupré en Paul Dukas.

O Sacrum Convivium! is geschreven in 1937. Het serieus religieuze stuk vormt een duidelijke tegenstelling met het frivole werk van de andere Parijzenaren. In O Sacrum Convivium! komt Messiaens grote liefde voor de mystieke kanten van het rooms-katholieke geloof naar voren. De tekst, geschreven door Franciscus van Assisi, is door vele componisten op muziek gezet. De toevoeging van het uitroepteken komt van Messiaen zelf en is een uiting van zijn grote geloof. In deze compositie verklankt Messiaen het wonder van de eucharistie zowel in de melodie als in de kleurrijke harmonieën. Deze harmonieën, soms zelfs sensueel genoemd, doen denken aan zijn intense en meditatieve improvisaties op het orgel zoals die soms klonken na de mis in de Parijse Sainte Trinité.

SAMUEL BARBER – AGNUS DEI

Samuel Osborne Barber II (1910 – 1981) was een Amerikaanse componist en muziekpedagoog. Ook Barber is een gevierd componist uit de twintigste eeuw. Van jongs af aan wist hij al dat hij componist zou worden. Op z’n veertiende studeerde hij piano, compositie en zang en op z’n achttiende won hij zijn eerste belangrijke prijs.

In 1936 componeerde Barber zijn String Quartet. Twee jaar later zou hij het tweede deel hiervan bewerken tot het bekende Adagio for Strings, een werk dat al snel wereldberoemd zou worden dankzij de uitvoeringen en opname onder leiding van Toscanini, die het werk eenvoudigweg omschreef als “semplice e bella”. Het zou tot 1967 duren voordat Barber dit Adagio zou voorzien van een tekst. En niet zomaar een tekst, maar het agnus dei uit de vaste misteksten. Vanaf het ontstaan van het werk is het altijd al geassocieerd geweest met treurnis, nostalgie, liefde en passie, maar door het te voorzien van de “agnus dei” tekst erkende Barber “de diepere spirituele laag en bracht deze hiermee aan de oppervlakte” (Graham Olson).

Messe Cum Jubilo

Maurice Duruflé (1902 – 1986) was een Frans organist en componist. Zijn  kleine maar kwalitatief zeer hoogstaande oeuvre bestaat uit werken voor orgel, koor, orkest en uit kamermuziek. Duruflé werd op 10-jarige leeftijd leerling aan de zangersschool van de kathedraal van Rouen. Hij studeerde er ook piano, orgel en muziektheorie. In 1919 verhuisde hij naar Parijs waar hij orgel ging studeren bij Charles Tournemire. Het Parijse conservatorium bezocht hij vanaf 1920. Hij studeerde er bij onder meer Paul Dukas en Louis Vierne. Tussen 1922 en 1928 won hij vele prijzen, onder andere voor orgel, compositie, harmonieleer en fuga. In 1930 werd hij benoemd tot organist aan de Saint-Étienne-du-Mont in Parijs, vlakbij het Panthéon, waar hij tot 1975 in dienst zou blijven. In verband hiermee voorzag hij de orgelpartij, op verzoek van de componist, van registratie-aanwijzingen. In 1943 werd Duruflé professor voor harmonieleer aan het conservatorium van Parijs.

Het gepubliceerde oeuvre van Duruflé is niet groot; hij was niet snel tevreden en bleef lang aan zijn composities schaven waardoor hij in de voetsporen staat van zijn leraar Paul Dukas.

De gregoriaanse gezangen, die hij veel had gezongen in de jaren op de koorschool in Rouen, waren een belangrijke inspiratiebron voor zijn muziek. Dit blijkt onder meer uit het veelvuldig gebruik van middeleeuwse modi, waarin met name het gebruik van de frygische modus opvalt.  Duruflés muziek herinnert ook aan het impressionisme. Zijn composities worden gekenmerkt door orde, helderheid en duidelijke vormgeving en getuigen van grote bewogenheid en veel poëzie. Hij zocht naar het bovenaardse en droeg dit uit en over in zijn muziek en lessen.

In Duruflé’s jonge jaren maakte de aandacht voor het Gregoriaans een ware renaissance door, o.m. door zijn leraar Tournemire. Behalve dat deze invloed duidelijk is in zijn beroemde Requiem, is het in de Messe Cum Jubilo (1966) wellicht nog duidelijker. De aanduiding ‘cum jubilo’ is de ondertitel van de 9de ordinarium-mis Kyriale, zoals die tot op heden terug te vinden is in het Graduale Triplex (Solesmes 1979). In tegenstelling tot het Requiem is de krachtige melodielijn in elk van de vijf delen van de mis ongemoeid gelaten, in die zijn dat de harmonie, die moeiteloos uit het modale karakter van de melodische gang lijkt voor te komen, volledig voor rekening van het orgel wordt genomen. Anders gezegd: de mannenstemmen zingen uitsluitend éénstemmig. Gloedvol geharmoniseerd Gregoriaans is het resultaat, traditioneel eenstemmig gezongen, en afwisselend nu eens heftig, eruptief zelfs, dan weer ingetogen en mystiek harmonisch omlijst in de zo kenmerkende na-oorlogse Franse stijl.

Tekst © Haags internationaal orgelfestival

De Victoria Officium Defunctorum

De Victoria Officium Defunctorum

Victoria’s Officium Defunctorum behoort tot de muzikale hoogtepunten van de Spaanse renaissance. Met zijn mystieke intensiteit en expressie, verkregen door eenvoudige muzikale middelen, onderscheidt het zich van de Engelse en Italiaanse muziek uit hetzelfde tijdsgewricht.
In feite was Victoria slechts een van de vele Spaanse renaissance componisten, hoewel vrijwel niemand van z’n tijdgenoten zo’n volwassen mis componeerde als Victoria deed. De Spaanse componisten reisden, tenzij naar de nieuwe wereld, vrij weinig. Zeker als we dit vergelijken met hun Nederlandse tijdgenoten. Dit kan de reden zijn van hun relatieve onbekendheid. Victoria had geluk in dit opzicht. Na te zijn geboren in Avila in 1548 en grootgebracht te zijn in de traditie van Morales, Espinar en Ribera, ging hij waarschijnlijk in 1565 naar Rome om te studeren aan de Collegio Germanico van de Jezuïten. Eenmaal daar moet hij zeker Palestrina hebben ontmoet en werd hij waarschijnlijk ook onderwezen door hem. De subtiliteiten van Palestrina’s polyfonie zijn regelmatig terug te vinden in de muziek van Victoria, dit in tegenstelling tot dat van zijn Spaanse tijdgenoten. Victoria verbleef waarschijnlijk tot 1587 in Rome, waar hij ondertussen tot priester was gewijd. Hij publiceerde verscheidene bloemlezingen van zijn werk. Tegen het einde van zijn leven was hij er in geslaagd vrijwel z’n gehele oeuvre te publiceren in elf sets, wat veel meer was dan bijvoorbeeld Palestrina ooit deed. Zijn 6-delige Requiem verscheen in 1605 en was de laatste van de serie.

Van 1587 tot aan zijn dood in 1611 was Victoria werkzaam in Madrid, aanvankelijk als kapelaan van de zus van Filips II: de douairière keizerin Maria, dochter van Karel V, de vrouw van Maximiliaan II en moeder van twee keizers. Het was voor haar begrafenis in 1603 dat dit Requiem is gecomponeerd. Na haar dood werd Victoria organist van het klooster waar de keizerin had gewoond. Aangezien Victoria net zo goed een priester als muzikant was, is het niet verwonderlijk dat hij alleen gewijde muziek componeerde, al moet men er niet van uitgaan dat het allemaal sombere muziek is. Door zijn tijdgenoten werd Victoria gezien als een vreugdevol componist en er zijn vele motetten die dit bewijzen. Bovendien vinden wij in zijn muziek mooie voorbeelden van woordschilderingen.
In de uitgave uit 1605 vinden we wat extra motetten die, zoals gebruikelijk was in die tijd, toegevoegd zijn aan het proprium van de missa pro defunctis. Dit zijn het 4-stemmige motet Taedet animam meam (de tweede lezing van metten van de dodenofficie), dat is verplaatst naar het begin om te dienen als een eenvoudige introductie, het motet Versa est in luctum en de absoute zelf, waarvoor Victoria het volledige responsorium, Libera me, Domine, met zijn laatste Kyrie componeerde. Een opvallende bijzonderheid in de uitgave van 1605 is het weglaten van het gebruikelijke vers Hostias et Preces en de daaruit voortvloeiende herhaling van Quam olim Abrahae in het Offertorium.

Alle muziek van deze compositie, met uitzondering van de eerste Taedet animam meam, is geschreven voor SSATTB. Ongebruikelijk is dat we in de tweede sopraanpartij de cantus firmus vinden, hoewel die vrij vaak verdwijnt in het omringende stemmenweefsel. Victoria nam zelf de eenstemmige incipits op in zijn uitgave.